|
Verbieden op hoofddoek is in strijd met de neutraliteitsverklaring Gemeenschapsonderwijs |
|
Arrest Raad van State 195044 in .html
Beslissing Raad GO! 11/09/09 |
|
Commentaar:
Het Arrest
nr. 195044 van 2 juli
2009, punt 6 (de wettelijke bepalingen), punt 11, 14, 16 (de toepassing) toont
glashelder aan dat de beslissing tot het verbieden van de hoofddoek en
andere religieuze kentekenen door de Athenea Antwerpen, de Raad van het
gemeenschapsonderwijs en het verzamelde Antwerpse onderwijs volledig en ten
gronde in tegenspraak is met de concrete inhoud en bepaling van het
neutraliteitsbeginsel (integraal opgenomen als uittreksel hieronder). Op basis van het neutraliteitsbeginsel besluit de RVS
in punt 11, 14 en 16 (zie hieronder) van het Arrest dat het dragen van de
hoofddoek door de leerkracht in de school op alle momenten en in de gehele
school mogelijk moet zijn. Wat opgaat voor de leerkracht gaat a fortiori op
voor de leerlingen. De verdere afhandeling van klachten tegen het
hoofddoekverbod door leerlingen, leerkrachten en leerlingbegeleiders zullen
hier wellicht vlug duidelijkheid verschaffen. 6.2. Artikel 24 van de Grondwet luidt :
“§ 1. Het onderwijs is vrij; elke preventieve maatregel is verboden; de
bestraffing van de misdrijven wordt alleen door de wet of het decreet
geregeld. De gemeenschap waarborgt de keuzevrijheid van de ouders. De
gemeenschap richt neutraal onderwijs in. De neutraliteit houdt onder meer
in, de eerbied voor de filosofische, ideologische of godsdienstige
opvattingen van de ouders en de leerlingen. De scholen ingericht door
openbare besturen bieden, tot het einde van de leerplicht, de keuze aan
tussen onderricht in een der erkende godsdiensten en de niet-confessionele
zedenleer. 6.3. De in het middel aangevoerde bepalingen van het bijzonder decreet bepalen wat volgt : “Art. 33. § 1. Inzake algemeen beleid is de Raad bevoegd voor : 1/ het opstellen van de neutraliteitsverklaring en de verklaring van gehechtheidaan het gemeenschapsonderwijs; [...].Art. 34. Inzake het pedagogisch beleid is de Raad bevoegd voor :1/ het opstellen van het pedagogisch project van het gemeenschapsonderwijs; [...]”. 6.4. De neutraliteitsverklaring, bedoeld in artikel 33, § 1, 1/, luidt : “De Gemeenschapsschool vervult in de eerste plaats een opvoedende taak; ze bevordert de ontwikkeling en de vorming van de gehele persoonlijkheid. Ze beperkt zich derhalve niet tot het bijbrengen van kennis en het ontwikkelen van vaardigheden en attitudes die de jeugd nodig heeft om een toekomst op te bouwen. Ze beoogt de totale vorming van de persoon als individu en als burger, die in staat is met persoonlijk inzicht en engagement zijn plaats in de maatschappij in te nemen. Opvoeding op school is slechts een onderdeel van de gehele opvoeding. Behalve de school vervullen namelijk ook het gezins- en familiale, het sociale en ideologische, het culturele, het religieuze milieu en de maatschappij in haar geheel een opvoedende functie. De bijdrage van deze milieus tot de vorming en de ontwikkeling van de jeugd moet door de school worden geëerbiedigd en in haar activiteiten geïntegreerd. Door de op velerlei gebied interne verscheidenheid van zijn begeleidingsgroepen, zowel als van zijn leerlingen- en cursistenbestand, bevordert het gemeenschapsonderwijs op spontane, natuurlijke wijze het wederzijds begrip tussen mensen met verschillende levensbeschouwelijke en maatschappelijke visies. Het stimuleert en begeleidt de leerlingen en cursisten trouwens bewust tot persoonlijke oordeelsvorming door het opwekken en het in opbouwende zin ontwikkelen van kritisch inzicht. Het maakt hun geest ontvankelijk voor de veelzijdigheid en verscheidenheid van waarden in de samenleving, zodat zij de mensen in hun eerlijke overtuiging gaan eerbiedigen en gepaste belangstellingvoor ieders denk- en gevoelswereld kunnen opbrengen. Wat het onderwijs in het bijzonder betreft, veronderstelt de neutraliteit vanwege allen die bij de ontwikkelingsbegeleiding van leerlingen en cursisten betrokken zijn, perfecte objectiviteit in de uiteenzetting van feiten en intellectuele eerlijkheid in de bespreking ervan. Hierdoor worden leerlingen en cursisten instaat gesteld de cultuurgoederen waarmee ze in contact komen, zo te verwerken, dat ze feiten en waarden duidelijk leren te onderscheiden. In hun omgang met de leerlingen en cursisten gaan degenen die betrokken zijn bij de ontwikkelingsbegeleiding, de problemen in verband met de filosofische, ideologische en godsdienstige overtuigingen van de mens niet uit de weg. Indien de opvoedings- of onderwijssituatie daartoe aanleiding geeft, kunnen zijvrij hun persoonlijk engagement doen kennen, maar op bedachtzame wijze, wat betekent dat zij zich zeker onthouden van elke vorm van indoctrinatie en/of proselitisme. Alle uitdrukkingen of overwegingen die voor andersdenkenden kwetsend kunnen overkomen, worden vermeden. De waarden die met de uiteengezette feiten verband houden, worden eerlijk en dus open behandeld, opdat leerlingen en cursisten zich geleidelijk bewust worden dat motiveringen van verschillende oorsprong eerbied en onderzoek verdienen. De bij de ontwikkelingsbegeleiding betrokken personen nemen alvast iedere gelegenheid te baat om de leerlingen en cursisten de ideologische, culturele, religieuze, filosofische en ethische waarden bij te brengen die een pluralistische beschaving in het algemeen kenmerken: - eerbied voor de rechten van de mens en voor de specifieke rechten van het kind;
- zin voor beredeneerde verantwoordelijkheid, voor rechtvaardigheid en
vooreerlijkheid; 11. …: “…Zoals de neutraliteitsverklaring thans is opgesteld, kan een godsdienstleerkracht er even goed in lezen dat ze het dragen van de hoofddoek door die godsdienstleerkracht zou zien als een element van “interne verscheidenheid [...] van zijn begeleidingsgroepen”, waardoor het gemeenschapsonderwijs op “[...] spontane, natuurlijke wijze het wederzijds begrip tussen mensen met verschillende levensbeschouwelijke en maatschappelijke visies [bevordert], dat de “geest [van de leerlingen en cursisten] ontvankelijk [maakt] voor de veelzijdigheid en verscheidenheid van waarden in de samenleving”, waarbij “degenen die betrokken zijn bij de ontwikkelingsbegeleiding, de problemen in verband met de filosofische, ideologische en godsdienstige overtuigingen van de mens niet uit de weg [gaan]”, en als een “gelegenheid [...] om de leerlingen en cursisten de [...] waarden bij te brengen die een pluralistische beschaving in het algemeen kenmerken”, waaronder de “eerbied voor minderheden”, het “respect voor het pluralistisch waardenpatroon” en de “actieve verdraagzaamheid”. 14. … De verwerende partij brengt geen enkel element aan waaruit zou blijken waarom verzoekster, door zich middels het dragen van haar hoofddoek buiten haar lesuren als geloofsbelijdster te manifesteren, haar persoonlijk engagement op godsdienstig vlak niet bedachtzaam zou hebben doen kennen. Dat aanbrengen is te dezen niet gebeurd, behalve dat de brieven ter kennisgeving van de dringende redenen en de bestreden beslissing aangeven dat verzoeksters gedrag “opzichtig”, “expliciet” en “permanent” is. Deze kenmerken vermogen op zich echter noch onbedachtzaamheid, noch kwetsend gedrag of indoctrinatie aan te tonen. Door het dragen van de hoofddoek tijdens de lessen islamitische godsdienst wél toe te laten, erkent het schoolreglement dat zulks met inachtneming van de neutraliteitsverklaring wél een bedachtzame wijze is van het doen kennen van verzoeksters persoonlijk engagement. Verwerende partij wijst geen enkel overtuigend gegeven aan waardoor dit plots niet meer het geval zou zijn zodra diezelfde lerares islamitische godsdienst zich buiten haar leslokaal met de hoofddoek zou tonen. 16. Uit al het voorgaande volgt dat de bewering van verwerende partij dat verzoekster louter door het dragen van de hoofddoek de door haar ondertekende neutraliteitsverklaring schendt, niet wordt bijgevallen. Wat de stelling betreft dat “het feit dat het opstellen van de neutraliteitsverklaring de bevoegdheid is van de raad van het gemeenschapsonderwijs [...] een raad van bestuur of een schooldirectie er niet van [kan] weerhouden om eventueel te beslissen om bepaalde uitvoeringsmodaliteiten op te leggen om het neutraliteitsbeginsel in de praktijk te brengen”, kan niet worden aangenomen dat het invoeren door een raad van bestuur of een schooldirectie van een algemeen verbod voor godsdienstleerkrachten om kledij te dragen met een zichtbare religieuze of levensbeschouwelijke connotatie, slechts een uitvoeringsmodaliteit zou betreffen van het neutraliteitsbeginsel. Integendeel gaat het hier om een wezenlijke invulling van en opvatting over het in de Grondwet vastgelegde principe van neutraliteit van het gemeenschapsonderwijs, die, zoals hiervoor reeds werd vastgesteld, bij artikel 33, § 1, van het bijzonder decreet enkel is opgedragen aan de Raad van het Gemeenschapsonderwijs |